Tentoonstelling Wilma Vissers en Giel Louws

DSC02637_1

Weet ik wel, wat ik zie?

Mijn openingswoorden bij de tentoonstelling Vergezichten en Verkenningen van Wilma Vissers en Giel Louws

Welkom in dit alweer compleet veranderde Kunstlokaal. Wat kunst kan doen met ruimte!

Wat jullie, Giel en Wilma, er samen (en samen met Marcel) van gemaakt hebben is echt een feest. Licht, luchtig en transparant.

Ik vind het prachtig, en toch… Weet ik wel, wat ik zie?

Dat is soms lastig, niet weten wat je ziet. Of niet weten wat je proeft. Ik weet nog dat ik voor het eerst chocola proefde met thijm erin. Een verfijnde bonbon van het Belgische bonbonhuis Marcolini. Vond ik het wat? Ik vond het eerst vreemd en pas even daarna héél lekker. Dat smaakte naar meer.

Ik word nieuwsgierig van dingen die ik niet meteen herken of begrijp. Het is spannend ze te onderzoeken. En vaak blijken ze lekker, of interessant.

Maar: wat zie ik eigenlijk?

Ik zie gebundelde latten op de grond. Is dat kunst of kan het weg? (Ja, dat is een cliché). Ik kijk nog eens, en dan zie ik stroken kleur: verf op hout. Een schilderij? Een schilderij.

Ik zie een ondefinieerbare vorm aan de wand. Heldere kleuren op het ruwe oppervlak vangen licht en reflecteren een echo van kleur langs de muur. Een schilderij? Een schilderij.

Vergezichten en Verkenningen

Een schilderij is als een venster op de wereld. De wereld van Wilma is liever niet ingekaderd. Geen hekken en geen paden, alleen lucht en land of water, en verte. In haar objecten vangt ze deze eindeloze ruimte. Hier, binnen, kleuren haar vormen het lokaal en brengen iets van die eindeloosheid binnen deze wanden. In groepjes werken de objecten als bakens voor het oog. Haal je iets weg, dan verandert het hele beeld.

Waaruit bestaat een schilderij? Een schilderij van Giel is, heel nuchter, verf op een drager. Of een drager en verf. En een beeltenis, of niet? En ook het licht, zonder dat zie je niets. Niet altijd is alles helder, de voorste laag verhult de lagen erachter en maakt het geheel diffuus. De drager houdt het beeld overeind, soms maar nèt.

We weten niet altijd wat we zien.

Dat is goed. Want het houdt ons nieuwsgierig.

Ik hoop dat jullie je vandaag, behalve genieten van de kunst van Wilma en Giel en van elkaar, ook even echt kunnen concentreren, en de smaak van dit werk tot je door kunt laten dringen.

Wilma en Giel, ik wil jullie bedanken voor deze ervaring.

Tot slot wens ik iedereen veel kijkplezier op deze tentoonstelling.

 

Bekijk het werk op de website van Kunstlokaal №8

Zomaar een zomeravond in augustus

Geur

In lange banen lag het gras donkergroen te drogen op een helgroene ondergrond. Die geur van gemaaid gras, hoe omschrijf je die? Overal gromden de combines om het gras binnen te halen.

Achter de stal van een boerderij dook een rood frame op in de vorm van een huis. Ik fietste de weg af, de lage zon achter me, onder een poort van oude eiken.

Kap

Verderop zag ik grote machines achter de bomen. Of nee, waar waren de bomen!
Mijn fiets liet ik tegen het paaltje naast de greppel. De ingang van het natuurgebied zag eruit alsof er een ramp had plaatsgevonden. Een paar dagen geleden nog een idyllisch graspad, geflankeerd door bomen en struiken langs een ruig veld vol bloemen, was alles nu kaal, op enkele hoge stammen na. Uitgekleed, plat geragd.
Achter twee grote bosbouwvoertuigen doemde een lange heuvel op van houtsnippers. Er stegen rookpluimpjes uit op. Het broeide al. Twee jonge mannen in overall namen luid roepend trotse foto’s van de kaalslag en elkaar.

Het pad bleek aan alle kanten geblokkeerd met schrikdraad. Het voetgangershek was vastgezet. Ik kon er niet door. Daarom deed een van de mannen het hek voor me open en daarna weer dicht, toen reden ze samen weg met een vracht houtsnippers.

Aan het eind van de kaalslag was het pad ook afgesloten. Nadat ik de handgreep met het schrikdraad had losgemaakt en weer vast, wandelde ik rechtsaf langs de grove rijsporen van de boswerkers, die tot ver langs de bosrand voerden. ‘Maar het wordt vast heel mooi’, zei ik tegen mezelf, ‘over een jaar of drie’.

Pad

Waar het pad linksaf buigt en daarna rondom over de Pingoruïne voert, was de uitgang afgezet met roodwit plastic lint en de mededeling: “wegens wekzaamheden geen toegang”. Om de wandeling te vervolgen, werd een omweg voorgesteld. Ik stond aan de verkeerde kant van het lint en volgde een alternatieve route: het koeienpad langs de greppel tot aan een houtwal waar de zwarte oerrunderen altijd tegen de stammen schuren. Daar was alles nog als vanouds. In het gras zag ik plotseling overal Grote Parasolhoeden! Ik kon mijn geluk niet op!

Een mooie zomeravond

Op de terugweg liep ik door het bos naar het pad rond de plas. Vandaar naar de andere uitgang om de voorgestelde omweg te nemen terug naar mijn fiets. Een ree stond stil te grazen. Toen hij mijn camera hoorde ging hij ervandoor. De pinken in de wei kwamen op een holletje naar me toe en renden toen holderderbolder naar de boerderij. Achter de fruitbomen zong iemand. Het was een mooie zomeravond.

P1340454

Gelaagd

In bijna elke recensie en elke beschrijvende tekst over beeldende kunst valt mij het gebruik, te pas en te onpas, van het woord gelaagd op. Gaat het over werk dat in laagjes is opgebouwd? Zoals dik over dun, zoals ik ooit geleerd heb met olieverf om te gaan? Of grafiek in zes drukgangen?

Of worden hier betekenislagen bedoeld, zoals in de literatuur: “onder haar uitbundigheid verbergt ze een groot verdriet”? In de beschrijving wordt dat zelden duidelijk. Wij moeten er maar vanuit gaan, als lezers, dat het werk niet eendimensionaal is, lijkt het. Niet: ‘what you see is what you get’ maar ‘als je twee keer kijkt, zie je meer’, ofwel: het werk betekent meer dan je op het eerste gezicht waarneemt, er zitten diepere lagen onder de oppervlakte.

Wat daar dan zit, blijft onbenoemd. Raadselachtig.

Een ander opvallend fenomeen is dat de ‘platte’ kunst voor aan de muur steeds dikker wordt. Een hoogglanzende bolle kleurschil bedekt een onderliggende dikke stapel hout of papier (met weet-ik-wat-voor mislukte schetsen erop?). Dat kun je letterlijk ‘gelaagd’ noemen. Net als laag-bij-de-grondse producten als multiplex, autoruiten of gefineerd hout.

Ik vraag me twee dingen af. Zijn er altijd meerdere onderliggende betekenissen in een werk? En als dat zo is, moet dat dan bij elk kunstwerk bestempeld worden als ‘gelaagd’, zonder te verklaren waaruit die lagen bestaan? Zo langzamerhand krijg ik een hekel aan het woord en vooral aan de gemakzucht van schrijvers over kunst die dit woord gebruiken als een soort kwaliteitssticker, zo van:

Dit is goede kunst, het is gelaagd!

Daarom een oproep aan collega-schrijvers over kunst: ga met een boog heen om dit inmiddels tot cliché geworden begrip en probeer alsjeblieft zo precies mogelijk te beschrijven wat je ziet.

Dank je.

Leren tekenen

Kinderen willen àlles leren tekenen!

Het atelier is een overgeschoten klaslokaal dat ook als opslag wordt gebruikt. Er zijn vier grote tafels en, tot mijn grote vreugde, een groen krijtbord. En een kraan. De kinderen zijn tussen de zeven en tien jaar oud en ze willen allemaal beter leren tekenen. Wat is dat dan, beter tekenen? Wat willen ze dan leren? Nou, 3D-tekenen. ‘Perspectief’, weet een van de jongens. En striptekenen. Mensen leren tekenen en dieren. En o ja, ook eigenlijk wel een keertje schilderen. Veel wensen, voor vijf keer een uurtje.

De eerste les hebben ze allemaal een map gemaakt om hun werk in te bewaren en hebben ze heel veel cirkels getekend. Een oefening in vloeiende bewegingen op papier zetten.

Hoe teken je ruimte?

De tweede les gaat over het tekenen van ruimte. 3-D, drie dimensies, richtingen. Of perspectief. Eigenlijk is het heel simpel. Alles wat vooraan is, lijkt groot en wat ver weg is, lijkt klein, tot het zóver weg is dat je het helemaal niet meer kan zien. Daar is het verdwijnpunt. Op het bord teken ik een horizon. Wat is de horizon? Juist, de grens tussen land of zee en de lucht. Zie je de horizon altijd? Nee, want meestal staat er iets in de weg. Ik teken een eenvoudig doosje met hulplijnen naar twee verdwijnpunten, en een letter met dikte. Dan veeg ik alles weer uit. Want je kunt ook best ruimte tekenen zonder de lijnen van het perspectief precies te construeren. Van dingen die dichtbij zijn zie je alle details, dingen die ver weg zijn lijken vaag. Dat kun je tekenen. Blauw lijkt ver weg, oranje dichtbij. Dat kun je ook tekenen.

De jongste kinderen tekenen een veld of een strand of een zee, eerst nog zonder iets erin. Helemaal in de verte, bovenaan het papier, tekenen ze het gras of het zand of de golven klein en vaag, en vooraan, onderaan het papier, groot en scherp. Als dat klaar is, tekenen ze pas de dingen. De meeste grotere kinderen vinden dit niet uitdagend genoeg: ‘mag ik ook een weg tekenen naar de verte?’ Dat mag, maar o, wat is dat moeilijk als je nog niet precies begrijpt hoe dat zit met de horizon en verdwijnpunten.


De Tekenskoalle

houtskoolOok met de Tekenskoalle wordt weer druk getekend. In Kootstertille gaf juf Marian een mooie les over de schepping aan groep 3 en 4, met houtskool als materiaal. Marian luisterde heel goed naar de kinderen en gaf elk kind de ruimte en de hulp om de eigen beleving op het papier te krijgen. Het papier was een beetje dun, dus er was een grens aan hoe lang de jonge kunstenaars konden doorgaan met pikdonker maken en weer licht in de duisternis vegen, maar alle kinderen hadden ervaren hoe je met houtskool en kneedgum kan spelen met zwart, grijs en wit, met vage en duidelijke vormen. Ze konden precies vertellen wat er op hun tekening, in hun eigen schepping, gebeurd was.