Tentoonstelling Wilma Vissers en Giel Louws

DSC02637_1

Weet ik wel, wat ik zie?

Mijn openingswoorden bij de tentoonstelling Vergezichten en Verkenningen van Wilma Vissers en Giel Louws

Welkom in dit alweer compleet veranderde Kunstlokaal. Wat kunst kan doen met ruimte!

Wat jullie, Giel en Wilma, er samen (en samen met Marcel) van gemaakt hebben is echt een feest. Licht, luchtig en transparant.

Ik vind het prachtig, en toch… Weet ik wel, wat ik zie?

Dat is soms lastig, niet weten wat je ziet. Of niet weten wat je proeft. Ik weet nog dat ik voor het eerst chocola proefde met thijm erin. Een verfijnde bonbon van het Belgische bonbonhuis Marcolini. Vond ik het wat? Ik vond het eerst vreemd en pas even daarna héél lekker. Dat smaakte naar meer.

Ik word nieuwsgierig van dingen die ik niet meteen herken of begrijp. Het is spannend ze te onderzoeken. En vaak blijken ze lekker, of interessant.

Maar: wat zie ik eigenlijk?

Ik zie gebundelde latten op de grond. Is dat kunst of kan het weg? (Ja, dat is een cliché). Ik kijk nog eens, en dan zie ik stroken kleur: verf op hout. Een schilderij? Een schilderij.

Ik zie een ondefinieerbare vorm aan de wand. Heldere kleuren op het ruwe oppervlak vangen licht en reflecteren een echo van kleur langs de muur. Een schilderij? Een schilderij.

Vergezichten en Verkenningen

Een schilderij is als een venster op de wereld. De wereld van Wilma is liever niet ingekaderd. Geen hekken en geen paden, alleen lucht en land of water, en verte. In haar objecten vangt ze deze eindeloze ruimte. Hier, binnen, kleuren haar vormen het lokaal en brengen iets van die eindeloosheid binnen deze wanden. In groepjes werken de objecten als bakens voor het oog. Haal je iets weg, dan verandert het hele beeld.

Waaruit bestaat een schilderij? Een schilderij van Giel is, heel nuchter, verf op een drager. Of een drager en verf. En een beeltenis, of niet? En ook het licht, zonder dat zie je niets. Niet altijd is alles helder, de voorste laag verhult de lagen erachter en maakt het geheel diffuus. De drager houdt het beeld overeind, soms maar nèt.

We weten niet altijd wat we zien.

Dat is goed. Want het houdt ons nieuwsgierig.

Ik hoop dat jullie je vandaag, behalve genieten van de kunst van Wilma en Giel en van elkaar, ook even echt kunnen concentreren, en de smaak van dit werk tot je door kunt laten dringen.

Wilma en Giel, ik wil jullie bedanken voor deze ervaring.

Tot slot wens ik iedereen veel kijkplezier op deze tentoonstelling.

 

Bekijk het werk op de website van Kunstlokaal №8

Gelaagd

In bijna elke recensie en elke beschrijvende tekst over beeldende kunst valt mij het gebruik, te pas en te onpas, van het woord gelaagd op. Gaat het over werk dat in laagjes is opgebouwd? Zoals dik over dun, zoals ik ooit geleerd heb met olieverf om te gaan? Of grafiek in zes drukgangen?

Of worden hier betekenislagen bedoeld, zoals in de literatuur: “onder haar uitbundigheid verbergt ze een groot verdriet”? In de beschrijving wordt dat zelden duidelijk. Wij moeten er maar vanuit gaan, als lezers, dat het werk niet eendimensionaal is, lijkt het. Niet: ‘what you see is what you get’ maar ‘als je twee keer kijkt, zie je meer’, ofwel: het werk betekent meer dan je op het eerste gezicht waarneemt, er zitten diepere lagen onder de oppervlakte.

Wat daar dan zit, blijft onbenoemd. Raadselachtig.

Een ander opvallend fenomeen is dat de ‘platte’ kunst voor aan de muur steeds dikker wordt. Een hoogglanzende bolle kleurschil bedekt een onderliggende dikke stapel hout of papier (met weet-ik-wat-voor mislukte schetsen erop?). Dat kun je letterlijk ‘gelaagd’ noemen. Net als laag-bij-de-grondse producten als multiplex, autoruiten of gefineerd hout.

Ik vraag me twee dingen af. Zijn er altijd meerdere onderliggende betekenissen in een werk? En als dat zo is, moet dat dan bij elk kunstwerk bestempeld worden als ‘gelaagd’, zonder te verklaren waaruit die lagen bestaan? Zo langzamerhand krijg ik een hekel aan het woord en vooral aan de gemakzucht van schrijvers over kunst die dit woord gebruiken als een soort kwaliteitssticker, zo van:

Dit is goede kunst, het is gelaagd!

Daarom een oproep aan collega-schrijvers over kunst: ga met een boog heen om dit inmiddels tot cliché geworden begrip en probeer alsjeblieft zo precies mogelijk te beschrijven wat je ziet.

Dank je.

Mag een print uit de computer grafiek zijn?

Inleiding bij de opening van de tentoonstelling van Carrie Meijer en Hans Kleinsman in Kunstlokaal №8

Maand van de Grafiek

Ter gelegenheid van de Maand van de Grafiek wil ik graag even ingaan op wat grafiek is en waarom wij juist deze kunstenaars hebben gevraagd hun werk hier te presenteren.

Kunstdrukwerk wordt grafiek genoemd. Originele grafiek wordt al eeuwen erkend als kunstzinnig medium, dat wil zeggen zolang de prent het artistieke doel is. En niet om een eerder gemaakte tekening of schilderij in oplage te reproduceren. Zoals de etsen van Rembrandt, de litho’s van Toulouse-Lautrec en de zeefdrukken van Andy Warhol originelen zijn, geen reproducties.

Grafische technieken

Kenmerken van ambachtelijke grafische technieken zijn de oplage, de drukgangen en de drukvorm.

Oplage

De oplage kan klein zijn of groot, of zelfs maar uit één enkel exemplaar bestaan. In een oplage kunnen alle prenten exact gelijk zijn, maar dat hoeft niet.

Drukgangen

Het aantal drukgangen is ook niet vastgelegd, een prent kan in één laag zijn gedrukt of in vele lagen (drukgangen) over elkaar.

Van deze eigenschappen valt dus niet veel méér te zeggen dan dat in de aanvang de mogelijkheid bestaat tot het vervaardigen van een oplage in meerdere drukgangen.

Drukvorm

Om te kunnen drukken is een drukvorm nodig. Als diepdruk kennen we de gravure en de ets, waarbij de drukvorm van metaal is en de afbeelding uitgestoken is of met een zuur uitgebeten. De daarbij ontstane putjes en groeven worden met inkt gevuld dat onder hoge druk op papier geperst wordt. Bij hoogdruk wordt de inkt op de oppervlakte van de drukvorm uitgerold. Voorbeelden zijn hout- en linosnede, stempelen en de traditionele boekdruk met loden letters. Lithografie en offset zijn vlakdruk-technieken. Tenslotte kunnen we doordrukken maken met sjablonen, door middel van zeefdruk en met de stencilmachine.

Voor al deze druktechnieken is de drukvorm de basis. Zonder drukvorm is er geen prent. De drukvorm ís het origineel.

Tekening

Aan de basis van de drukvorm ligt de tekening.

Hans Kleinsman tekent ‘zonder handen’. Hij maakt tekeningen door met de computer beelden te genereren uit berekeningen. Die stuurt hij niet naar de printer, maar brengt hij direct over op papier met een ballpoint in een plotter, of met een vet litho-potlood op een grote lithosteen, waarna hij de steen afdrukt in meerdere drukgangen. Het resultaat is een beweeglijk, bijna onscherp aandoend beeld dat bestaat uit miljoenen stipjes rood, geel en blauw die in het oog van de beschouwer moeiteloos gemengd worden tot alle mogelijke tussentinten.

Erkenning heeft tijd nodig

In het verleden hebben alle druktechnieken op hun tijd de erkenning als kunstzinnig medium moeten bevechten. Want was de ets niet de goedkope namaak- gravure van de zeventiende eeuw? Was lithografie in de negentiende eeuw niet bij uitstek een medium voor reclame-affiches, evenals zeefdruk in de twintigste? Ook de fotografie vond men lange tijd van minder artistieke waarde, vergeleken met de schilderkunst. Foto’s zijn ‘slechts’ een weergave van de zichtbare werkelijkheid, terwijl schilderijen de expressie van de maker kunnen weergeven. Bovendien is een schilderij uniek en een foto reproduceerbaar.

Al in 1936 beschreef Walter Benjamin dit fenomeen in Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid.

Verzamelaars lieten de fotografie als kunstvorm nog lang links liggen. Inmiddels zijn op alle grote kunstbeurzen foto’s te koop van astronomische afmetingen voor dito prijzen.

Elk nieuw medium deelt deze geschiedenis.

Van wantrouwen en afwijzing van de gevestigde orde tot de omarming door een verse groep liefhebbers, die later rijpt tot een nieuwe gevestigde orde.

Het gereedschap van de kunstenaar

Plotten en printen zijn de nieuwe druktechnieken. De plotter veroverde de tekenkamer; de scanner, laser- en inkjetprinter veroveren het thuiskantoor en de hobbyruimte.

Kunstenaars maken natuurlijk ook gebruik van deze middelen en worden uitvinders van nieuwe toepassingen. Grafische kunstenaars gebruiken printer en plotter zoals ze vroeger de drukpers gebruikten. Ze gebruiken computersoftware zoals ze vroeger de tekenstift hanteerden of het burijn, of de zuurkast. De computer kan een atelier zijn, de programma’s een gereedschapskist voor kunstenaars.

Kunstenaars werken met hun zintuigen, hun hersenen en hun handen. Zien en voelen, denken en creëren. Hun specialiteit is de mogelijkheid de waarneming te verbeelden op zo’n manier dat wij, het publiek, verrast worden. Soms voelen we ons er ongemakkelijk bij, want het is niet vanzelfsprekend wat we zien. We hebben vragen en twijfels en ook bewondering voor de kracht van deze beelden. Met welke middelen ze ook zijn gemaakt.

Rest nog de vraag: kunnen we een print grafiek noemen?

Er is de mogelijkheid tot een oplage. Carrie maakt er (meestal) maar één. Toch is een heel grote oplage niet onmogelijk. Je kunt vinden dat een prent die in potentie een oneindige oplage heeft, geen grote waarde heeft, want niet schaars is. Dit heeft de computergrafiek gemeen met de fotografie. Maar hebben we het dan over artistieke of over economische waar(he)de(n)?

Er is geen fysieke tekening of drukvorm in de computer, je kunt hem niet vastpakken. De drukvorm is een in digitale code opgeslagen bestand en bestaat als zodanig. In de metadata van het bestand zijn de maker, de ontstaansgeschiedenis en het copyright opgeslagen en kunnen extra gegevens worden bewaard, zodat het artistiek eigendom vastgelegd is, ook al is het bestand op verschillende plaatsen te vinden.

Printers en plotters zijn grafische middelen, media. Ze kunnen niet zonder iemand die er iets mee doet. Zoals een marterharen penseel niet vanzelf tot een kunstwerk leidt, doet een goede printer of een plotter dat ook niet. Elke printer (en elke computer) heeft een kunstenaar nodig om er kunst uit te krijgen. Zoals een Hans Kleinsman, of een Carrie Meijer. In de prenten van Carrie zie ik monumentjes van evenwicht in kleur en vorm. Alleen Carrie kan ze zo maken. Het werk van Hans moet je ervaren: loop er eens naartoe, ga er met je neus bovenop staan en blijf kijken terwijl je weer een stap achteruit doet.

Kijk, geniet en stel vooral je vragen aan de makers.

Bekijk de tentoonstelling op de website van Kunstlokaal №8

Cultuureducatie met kwaliteit: een onderzoek

Alles heeft het en toch weten we niet precies wat het is. Kwaliteit. Ik lees op Google: kwaliteitsmanagement, kwaliteitslaminaat, kwaliteitsvoedsel, kwaliteitszorg.
Slechte kwaliteit, acceptabele kwaliteit, goede kwaliteit, excellente kwaliteit…

Wat is kwaliteit?

Omstreeks 1987 werd het in mijn werkomgeving, destijds een gemeentelijke instelling voor kunsteducatie, steeds meer gebruikt, het woord ‘kwaliteit’. Het was zo’n zelfde tijd als nu, er werd bezuinigd op culturele instellingen en dat dwingt tot keuzes. Het woord dook te pas en te onpas op en niemand wist eigenlijk precies wat ermee bedoeld werd. Shakespeare? Michael Jackson? Waarom, en voor wie? En waarom niet? Mijn baas las regelmatig onze bereikcijfers voor. De ‘werkvloer’ sprak over ‘oppervlakkige kennismaking’ en ‘de diepte in’. Kwaliteit versus kwantiteit. Een collega, ongelukkig met de spraakverwarring, deed een poging uit te leggen dat we niet over kwaliteit konden spreken zonder verschillende kwaliteiten te onderscheiden. Later kreeg juist hij het aan de stok met het nieuwe afdelingshoofd, die vond dat zijn project over populaire beeldcultuur onvoldoende kwaliteit had. Populaire cultuur was geen kunst, vond ze. En we waren wel een instelling voor KUNSTeducatie.

Is kwaliteit elitair?

Is kwaliteit dan elitair en moeilijk te begrijpen en heeft iets dat het grote publiek interesseert daarom geen kwaliteit? Hella Haasse legt in het begin van het boekje Kwaliteit (een verkenning) (1987) uit dat het begrip komt van ’homme de qualité’, zo werd een edelman in de twaalfde eeuw genoemd die van bijzondere verdienste was voor de toenmalige maatschappij. De elitaire herkomst van het woord kwaliteit is een historisch feit. Maar zowel de maatschappij als de taal zijn aan verandering onderhevig.

Kwaliteit is een woord dat een positieve klank heeft: ‘hij heeft de kwaliteiten om deze taak naar behoren te vervullen’. Kwaliteit wordt gebruikt als criterium voor wat van een product verwacht kan worden. Bijvoorbeeld dat een pakje waar ‘roomboter’ op staat ook 100% roomboter bevat. Of dat de verse appeltaart echt vers is. Waar voor je geld.

Kwaliteit wordt óók gebruikt voor ‘goed’: ‘wij gaan voor kwaliteit’, kwaliteitsjournalistiek.

Doel en verwachting

Omdat niet expliciet duidelijk is waaraan iets of iemand moet voldoen om het label ‘kwaliteit’ te krijgen, is er altijd discussie over. Er is wel overeenstemming over de basisvoorwaarden: het moet geschikt zijn voor het doel én het moet voldoen aan de verwachtingen van de klant. Appeltaart moet lekker zijn.

Ik lees in cultuur + educatie nr. 33, 2012 een citaat: De Amerikaanse management-goeroe Peter Drucker (1985, geciteerd van internet) zei het pregnant als volgt: ‘Quality in a product or service is not what the supplier puts in. It is what the customer gets out and is willing to pay for.’ Het maakt dus niet uit hoe hard of toegewijd de producent werkt, hoe deskundig hij is of inhoudelijk sterk en wat hij allemaal voor slimme vondsten in het product stopt, als iemand het maar wil hebben.

Behoefte

Toch vraag ik mij af hoe de producent van tevoren kan weten waarvoor de klant wil betalen. Hoe wist de uitvinder van de mobiele telefoon voordat er ook maar één klant was, dat ik inmiddels niet meer zonder kan? En waarom wil men tegenwoordig niet meer betalen voor diepgravende journalistiek, om maar wat te noemen? Of is daar eigenlijk nooit veel vraag naar geweest maar lag de norm voor kwaliteit ‘vroeger’ meer bij de producent dan bij de consument? Staat kwaliteit altijd in verband met verwachting (reageert een producent dus alleen op klanten), of ook met behoefte en verlangen, of zelfs passie? Kan kwaliteit ook verlangen opwekken? Kan kwaliteit verleiden? Heeft kwaliteit een relatie met emotie?

Emotie en beleving

De discussie gaat eigenlijk steeds over dat laatste. Meer nog dan over de knapperige korst van de appeltaart, de stevigheid van de appels en de slagroom bovenop gaat het over de herkomst van de appels (biologisch!), het authentieke recept (oma!) en de bijzondere bakkerij (ambachtelijk!). Daar wordt die taart helemaal niet beter van, maar hij smaakt wel lekkerder.

Kwaliteit is dus níet persé een eigenschap van het product maar ook, of misschien wel vooral, van de beleving ervan.

Meten en relatie

Een eigenschap als lengte of snelheid kan in absolute zin meetbaar zijn: 3 meter lang, 30 kilometer per uur, of relatief: langer dan ik, sneller dan een fiets.

Kwaliteit is een lastige eigenschap om te beoordelen, want het is niet absoluut meetbaar. Kwaliteit kan alleen onderscheiden worden in een relatie. In relatie tot het doel en in relatie tot andere producten, dingen, ervaringen…

Criteria

Om kwaliteit te kunnen meten en dus beoordelen moeten verschillende criteria worden onderscheiden en beschreven. Dan pas kun je op kwaliteit een objectieve benadering loslaten. Maar beleving en emotie zijn niet meetbaar en achterliggende waarden ook niet. Dus een meetinstrument zal niet de hele lading kunnen dekken.

Cultuureducatie met kwaliteit is volgens de onderwijsraad (Cultuureducatie: leren, creëren, inspireren! Publicatie uit 2012) cultuuronderwijs afgestemd op de kerndoelen, geregisseerd door de school, in een doorgaande leerlijn. Lessen moeten worden gegeven door deskundige leerkrachten, eventueel in samenwerking met culturele instellingen. Net als de vorderingen van de leerling met betrekking tot taal en rekenen moeten ook de kennis en vaardigheden op het gebied van cultuur kunnen worden gevolgd en beoordeeld, bij voorkeur in samenhang. De raad beschrijft voorwaarden voor kwaliteit als eigenschap van cultuuronderwijs. Maar niet de kwaliteit zelf.

Wie betaalt voor cultuuronderwijs? De school, met overheidssubsidie. Is de overheid dan de klant? Of de school? De school (de directeur) moet ervoor willen betalen, dus cultuuronderwijs moet de verwachtingen van de school waarmaken. Dus is de school de klant.

Verwachting en kennis

Maar waar is cultuuronderwijs ook weer voor bedoeld? Voor wie? O ja, voor de leerling.

Is niet de school, maar de leerling dus de klant? Wat als de leerling mag zeggen wat hij verwacht of verlangt van cultuuronderwijs? Weet hij dan waarover hij het heeft? Heeft hij genoeg kennis en informatie om gefundeerd te kunnen kiezen? Of moeten we het de leerkrachten vragen? De ouders? Geldt daar niet hetzelfde voor? Klanten hebben verwachtingen en verlangens maar weten soms helemaal niet wat ze zouden kúnnen verwachten.

De vraag is of dat nodig is.

Cultureel zelfbewustzijn

De leerling moet zich zodanig kunnen ontwikkelen dat hij in de wereld een plaats kan verwerven die past bij zijn mogelijkheden, zodat hij een zelfbewuste volwassene wordt, in verbinding met zijn (culturele) omgeving. Dat is het doel. Van cultuuronderwijs mag dus verwacht worden dat gewerkt wordt aan een groeiend zelfbewustzijn. De leerling moet zijn talenten kunnen ontdekken en ontwikkelen, niet alleen bij taal en rekenen maar in alle leergebieden. Hoe het product om dat doel te bereiken precies tot stand komt, dat bepaalt de producent. Is de producent in het geval van cultuuronderwijs al deskundig genoeg om die kwaliteit te leveren die de klant (de leerling) nodig heeft?

De klant hoeft de appeltaart alleen maar lekker te vinden.

De leerling:

‘ik wil dit elke dag wel doen op school! Kijk eens wat ik heb gemaakt, ik wist echt niet dat ik dat kon!’

Tekenen als vorm van cognitie

Gisteren heb ik mijn certificaat ontvangen van de Leergang Cultuuronderwijs 2013. Jammer dat het afgelopen is.

In het voorjaar begon ik aan de leergang met een vaag gevoel van verdwaald zijn en heel veel zin om na te denken. Ik hoopte dat een theoretisch fundament me zou helpen de grote lijnen binnen cultuur en onderwijs (weer) te ontdekken zodat ik beter zou kunnen uitleggen waarom ik cultuuronderwijs essentieel vind voor de ontwikkeling van kinderen.

Intussen werd ik Tekenskoalle- coach in Zuidoost Friesland. In het kunstonderwijs had ik me nooit uitsluitend met tekenen beziggehouden. Ik vind alle kunstvakken even belangrijk. Maar, zoals met alles gebeurt waar je een vergrootglas op legt: ik ging tekenen op zich interessant vinden.

Nu, na de leergang, heb ik het idee dat ik een klein beetje beter begrijp wat cultuur is. Daarom durf ik nu te stellen dat cultuuronderwijs centraal zou moeten staan in het onderwijs. En dat tekenen daarin een belangrijke plaats verdient, omdat het een vorm van cognitie is.

Mijn afsluitende essay:

Over de noodzaak van tekenen in het cultuuronderwijs

“Tekenen als vorm van cognitie” verder lezen

De laatste berichten uit 2010 en 2011

De oude website

Deze werkt niet meer naar behoren. De links in het blogarchief werken niet meer en ik kan er niet achter komen hoe dat komt. Daarom, voor de liefhebbers, hieronder de laatste artikelen van deze website.


mooi

Mooi?

18 jun 2011

Wat je mooi vindt, wil je vasthouden.

Door echte schoonheid word je gegrepen, betoverd en ontroerd, alles tegelijk. Wat echt mooi is verveelt nooit. Dans, theater, muziek, beeldende kunst bieden schoonheid die boeit, betovert en ontroert. Daarom is kunst veel meer dan een statussymbool, een economisch belang of vermaak voor de elite. Het stelt mensen in staat echte schoonheid te ervaren.

Toen ik klein was waren mijn tekeningen altijd mooi en mijn nieuwe kleren ook. Mooi was duidelijk: van mooi werd ik gelukkig.

Toen ik acht was leende ik Alleen op de Wereld. Eerst vond ik er niets aan, ik hield van Puk en Muk, Pinkeltje en Snabbeltje. Volwassenen zeiden dat het een mooi boek was, Alleen op de Wereld. In plaats van Saskia en Jeroen kreeg ik voor mijn verjaardag Loeloedji, rode bloem, van Toos Blom. Mooi was moeilijk en droevig. En zeker niet lekker. Ik begreep nog niet zoveel van mooi.

Als tiener ontdekte ik de fotografie. Ik maakte foto’s van zonsondergangen met veel oranje en paars. Kitsch, praatte mijn vriendinnetje haar ouders na. Iets dat echt is en indruk maakt, wordt afgewezen op grond van de frequentie waarin het eerder vertoond is. Maar had dat vriendinnetje nou gelijk? Ik begreep nog steeds niet zoveel van mooi.

Toen ik veertien was stond ik op een dag oog in oog met een wandvullend schilderij van Pollock. Dat- ie de verf op het doek had gedruppeld en gegooid vond ik niet zo interessant. Spannend vond ik wat de kleurvlekken met me deden. Het schilderij bewoog, het leek te leven. Mooi was spannend.

Op de kunstacademie vond men mijn werk te esthetisch. Nog te weinig levenservaring zeiden ze. Het schuurde niet genoeg, het was te braaf, het deed geen pijn, er was geen conflict. Mijn angsten, twijfels en wanhoop wilde ik er ook liever buiten houden.

De weerslag van de directe ervaring dan. Of de directe weerslag van de ervaring. Is dat mooi? Het is vooral direct. Confronterend dan? Dat ligt aan de ervaring, of aan de weerslag maar is het mooi? Ik wist het nog steeds niet.

Ik weet wel, wanneer ik iets mooi vind. En ik heb ook geleerd te kijken, na te denken en te beargumenteren waarom. Eigenlijk is er geen argument. Wat je mooi vindt, wil je vasthouden. Net als liefde. Je wordt erdoor gegrepen, betoverd of ontroerd.

Maar het kan kapot.


cultuur

Cultuur! Juíst nu

20 okt 2010

Cultuur is niet het verwende subsidiewatje dat maar eens het huis uitgeschopt moet worden om op eigen benen te leren staan. Musici, acteurs, beeldend kunstenaars, filmers, schrijvers en dansers steken al hun tijd en energie in hun werk. Cultuur is geen hobby. Nooit geweest.

In Nederland zijn er een aantal zaken waar we met zijn allen voor zorgen, waar we als burgers van dit land medeverantwoordelijk voor zijn. Snelwegen, dijken, voetbalclubs, klaslokalen, gevangenissen, Joint Strike Fighters, huisartsen, lantaarnpalen en zo. Omdat we daar allemaal baat bij hebben. Ik? Welnee. Ik hoef die snelweg niet, want ik neem de trein. Ik woon boven NAP, dus die dijk is voor mij niet nodig. Voetballen vind ik geen feest, ik ben te oud om in een klaslokaal te moeten zitten, ik ben geen crimineel en ik wil ook niet iedereen opsluiten die mij niet bevalt. Ik vind straaljagers ondingen, bij de dokter kom ik zelden en zonder lantaarnpalen kan ik de weg in het donker ook wel vinden. Toch betaal ook ik aan al deze zaken mee.

Elitair

Ineens is het stoer om te roepen dat je niet wilt meebetalen aan cultuur. ‘Ik ga nooit naar een museum, of naar een balletvoorstelling, moet dat betaald worden van míjn centen?’, lees ik in reacties bij krantenartikelen over de subsidiekortingen op cultuur: ‘Schaf maar af’. Ach, wat maakt het uit. Je treft er toch alleen maar elitaire linkse oudere dames mee. En elitaire linkse oudere dames, dat weet iedereen, die zijn totaal onbelangrijk.

Cultuur is van ons allemaal

Zelf hebben de mensen die cultuur willen afschaffen nooit muziek aan. Ze kijken nooit televisie, hun muren zijn kaal, ze gaan nooit uit en ze kopen ook nooit leuke kleren. Maar dat doen ze wel! En ook dat is cultuur! Alles wat door mensen wordt gemaakt is cultuur. Cultuur kun je niet zomaar afschaffen, want het is van ons allemaal. ‘En die kostbare orkesten dan, die musea met waanzinnig dure schilderijen? Daar komt alleen de elite, waarom zou ik daar aan mee moeten betalen?’ Welke elite? Een elite die kunst op waarde weet te schatten? Is er iets mis met schoonheid? Is er iets mis met smaakverschillen? Voor popfestivals wordt ook subsidie gegeven. Ik ben bang dat jaloezie hier een grote rol speelt. Jaloezie op het talent, dat het dankzij bloed, zweet en tranen tot op dát podium heeft geschopt. Jaloezie op het geluk waardoor een enkeling kan leven van de kunst.

Uniek

Sommige cultuur is kostbaar. Waardevolle cultuuruitingen zijn vaak erg kostbaar. Omdat ze bijzonder zijn, omdat ze ontroeren of uitnodigen tot reflectie, omdat ze verleiden én verontrusten, omdat ze uniek zijn. Wat uniek is, kan niet massaal snel en goedkoop geproduceerd worden in lagelonenlanden. Bijzondere culturele producten kosten aandacht, tijd, arbeid en geld. Wanneer we daar niet met zijn allen voor zorgen, zijn we straks een land zonder theaters, zonder musea en zonder concertzalen. Zonder kunstenaars.

Als die er niet meer zijn, moet ik me laten ontroeren door een lantaarnpaal.

Beeld Marcel Prins Zonnestraal


vroeg

Tijd en ruimte

19 aug 2010

Toen we zaterdagochtend 14 augustus om tien voor vijf van huis gingen was het echt stil. En donker. Hoe dichter we bij Spanga kwamen, hoe meer auto’s we zagen. Ook naar Nynke Laverman? Een concert om zes uur ‘s ochtends, in de Rottige Meenthe. Bij zonsopkomst. Mooi en heel bijzonder.

De Rottige Meenthe is een moerasgebied ontstaan door vervening. Deze zomer is het moeras ook het decor van twee beeldende kunstroutes: Out of Space en de Scheene kunstroute.

Out of Space laat beelden zien die het landschap als uitgangspunt hebben. Grote beelden en installaties die een interactie aangaan met het landschap, ruimte en de beperkingen van de ruimte. Aarde en water, hout, riet: een sloot, een rode hut, een observatorium, ijzeren lijnen, berken met doorns van naaldhakken. Zeer de moeite waard en een prachtige wandeling. Maar zes kilometer, toch goed voor 3 uur.

De Scheene kunstroute voert langs locaties waar vooral schilderijen en beelden binnen te zien zijn, en gedichten buiten. Een verrassing vond ik het werk van Dirk Kerst Koopmans. Ook verrassend zijn de plekken: we zagen een prachtige tuin, een terrein waar onderdelen van landbouwmachines wachten op herstel, een verstild groen kerkje en een winkel van Sinkel waar alles te koop is wat je nodig zou kunnen hebben.


kunsteducatie

Kunsteducatie

18 jun 2010

Lekker voor de klas met druktechnieken! Terug naar de basis.

Na de Academie van beeldende kunsten begreep ik al snel dat in mijn eentje op mijn zolderatelier grafiek maken niet echt iets voor mij was. Ik gaf me op voor de Pedagogisch- Didaktische bijscholing en meteen daarna voor de bijscholing Taaldrukken. Van Taaldrukken werd ik echt enthousiast.

Sindsdien heb ik lesgegeven in taaldrukken, ontwerpen, druktechnieken en schilderen op scholen, boeken maken voor kinderen, illustreren voor volwassenen en vanaf 1991 ben ik ook consulent bij het Koorenhuis in Den Haag.

Consulent in wat? Toen ik begon heette dat kunstzinnige vorming. Tot een jaar of twee geleden heette het kunsteducatie, en tegenwoordig, in ruimere zin, cultuureducatie. Waarbij het niet gaat om cultuur in tegenstelling tot natuur, immers, dan zou alle educatie cultuureducatie zijn en is de toevoeging cultuur overbodig.

Cultuurnetwerk.nl zegt het zo:

Alle vormen van educatie waarbij cultuur als doel of als middel wordt ingezet. Cultuureducatie is leren over, door en met cultuur. Deze omschrijvingen sluiten puur instrumenteel gebruik van cultuur, zoals het versterken van sociale cohesie, niet uit. Meestal is echter sprake van cultuurgerelateerde doelstellingen: kennismaking met of verdieping in kunst, cultureel erfgoed en/of media. Ook het genieten, leren beoordelen, en zelf beoefenen hoort daarbij. 
Cultuureducatie is ook de verzamelnaam voor kunsteducatie, erfgoededucatie en media-educatie.’ Als consulent mocht ik tot voor kort mooie leskisten en projecten ontwikkelen. Dat doen we bij het Koorenhuis niet meer. Wel kunnen scholen mij en mijn collega’s raadplegen voor de invulling van hun cultuurbeleidsplan.

Inmiddels ben ik met Marcel Prins in Jubbega-Schurega, in de oude mr. J.B.Kanschool, AlleskAn begonnen. Hier kan ik ontwikkelen wat ik wil. Vooralsnog zijn dat lessen en workshops. Die geven we zelf. En natuurlijk willen we ook hier wel scholen adviseren voor de invulling van hun cultuurbeleidsplan.


tentoonstelling bij Kunstwerf

Als een mijmering over een wateroppervlak

26 feb 2010

Uit het persbericht van de Stichting Kunstwerf: … werkt het subtiele spel van compositie juist door de tegenstelling heel sterk. Haar werk vraagt meer aandacht en geeft veel terug.

Het hele persbericht:

OOSTERWOLDE – De eerste tentoonstelling in het Kunstcafé 2010 was er eén van grote kwaliteit. De monumentale bijna gebeeldhouwde tekeningen van Age Hartsuiker, overrompelden de toeschouwer onmiddellijk bij het betreden van de ruimte. Dat komt door de geconcentreerde eenvoud, de consequent volgehouden tegenstelling van licht en donker. Zelf zegt Age daarover: “ik vermijd kleurgebruik omdat ik daarin de puurheid van vorm en ritme verlies”. Het liefst gebruikt hij houtskool, op speciaal geprepareerd doek met daaroverheen een fixeerlaag, die hij na jarenlang experimenteren gevonden heeft. Er is geen plaats voor nuance, het lijkt een gevecht. In het werk van Birgit Speulman daarentegen, die met kleine digitale printen wat verpletterd lijkt te worden, werkt het subtiele spel van compositie juist door de tegenstelling heel sterk. Haar werk vraagt meer aandacht en geeft veel terug. Als een mijmering over een wateroppervlak. De gescande materialen, ijzer, een stuk lood, een spijker, een draad, geven voorzichtig geschoven, laag over laag, een landschap met een horizon bloot. Daarin zijn vormen als bomen, de bedding van een rivier of een plotselinge heuvel te ontdekken, als je maar lang genoeg kijkt. Haar foto’s van scheepsdekken, bomen en fabrieksterreinen zijn directer maar getuigen van eenzelfde verstildheid. Marcel Prins tenslotte pakt uit met maar liefst 39 ruimtelijke stapelingen van gevonden materialen. “Overal waar ik kom kijk ik om me heen en vind van alles”, zegt hij erover. Van afwasborstels tot uitgefreesde stukken muur alles blijkt bruikbaar. En inderdaad de ingenieuze stapelingen met titels als Koekoeksnest of Geisha veranderen van losse elementen inderdaad tot gestalte tot Koningin tot Polonaise, dat is het knappe en het magische ervan. Zaterdag werdt de expositie opgeluisterd door Alex Kort op de Rockin’ Chair van Harco Rutgers en Sybrand Seine vertolkt op de basbariton saxofoon de zondagmiddag prachtige nummers van Dizzy Gillespie, Charlie Parker en andere jazzgiganten, melancholisch bijna fluisterend. Wat een feest.

Gepubliceerd in: De Nieuwe Ooststellingwerver