Zomertijd

Tijd voor cultuur op school

In juni begon de zomer. Het vakantiegevoel was er al, dankzij de tropische temperaturen zo nu en dan. Met rekenen en taal waren ze wel klaar. Nu was het tijd voor spelen en maken, de verbeelding aan de macht!
tijd voor cultuur op school

Zes zomerse beeldende cultuurlessen

The Big Splash

Eben Haezer, groep 6. Eerder in het voorjaar heeft deze groep een attractiepark ontworpen met gekleurd karton. Nu drie keer een vrijdagmiddag met het schilderij The Big Splash van David Hockney als inspiratie. Wat gebeurt daar? Dat gaan we maken. Zwemmers in een zwembad.

Daar is nog wel wat voorbereiding voor nodig. Eerst meten de leerlingen elkaar op: wat zijn de verhoudingen van het menselijk lichaam? Waar zitten de gewrichten, de scharnieren? Die verhoudingen tekenen ze als een schematisch mensfiguurtje op een vouwblaadje. Daarna tekenen ze hun mensfiguurtje opnieuw, op stevig karton, en zetten ze getekende en geknipte mensfiguurtjes in actieve (zwem)houdingen, naar keuze in een plat vlak of driedimensionaal.

‘Juf, hoe moet een bommetje?’

De zwemmers krijgen een plaatsje in een zelfgemaakt zwembad en ja, er is ook een giftig groen bassin gemaakt met zombies en haaien.
Dikke pret als lijm heel geschikt blijkt om water weer te geven.

Eben Haezer groep 6 les 5 en 6

Drie bijzondere Tekenskoalle-klassen

De groep van Joland

In groep 2 gaf Tekenskoalle- cursist Joland een heerlijke les met ijs als thema en ik was erbij.
De kinderen zijn eerst bezig geweest met het verhaal De ijskraam van Jan en San. Nu improviseren Joland en ik een ijsverkoopster en haar klant. De ijsverkoopster noemt smaakjes en kleuren: geel voor citroen, roze voor aardbei, bruin voor chocolade: welke smaak wil jij? Het roze aardbeienijs of het groene perenijs? In een horentje of een bakje?
De leerlingen vouwen en tekenen een ijskraam met ijsbakken en ijsjes. Hoe kun je met oliepastel een ‘ijs-achtige’ kleur maken? Joland laat het zien: door er witte pastel overheen aan te brengen, kijk maar.

fotocollage

De groep van Wendy

Deze kinderen ken ik al twee jaar. Ik kom nu voor de zesde keer bij hun in de klas en heb gezien hoeveel vaardigheden ze zich al hebben eigengemaakt op tekengebied.
Schermafbeelding 2015-07-17 om 00.11.48

Op Wendy’s verzoek geef ik een les met een kunstwerk als inspiratiebron. Want wát doet een kunstenaar nou precies en hoe kunnen de kinderen daarvan leren? Ik haal langzaam een kunstwerk van Marcel uit mijn tas. Ik vraag: ‘wat zie je?’ De kinderen zien een dier en gereedschap tegelijk. De titel van het beeld? Niet zagen. Ís het een dier, of lijkt het er alleen maar op?

In het lokaal en op de gang zoeken de kinderen dingen die op iets anders lijken: een dier, een gezicht, een landschap. Ze maken een geheim lijstje met hun vondsten. We doen ik zie ik zie wat jij niet ziet om ook de kinderen die het moeilijk vinden op ideeën te brengen. ‘Ik zie een gezichtje’, ‘de zee’, ‘een krokodil’. Het stopcontact wordt snel geraden. De marmoleumvloer lijkt op de zee en een groene wasknijper op een krokodil.

Ieder kind kiest één ding van zijn lijstje om heel precies na te tekenen en daarna de tekening te veranderen in dat waar het voorwerp op lijkt. Voor groep vier een pittige opdracht, het laatste deel lukt veel kinderen dan ook niet precies volgens plan. Ze zijn heel geconcentreerd bezig met goed kijken en natekenen. Ze spelen al tekenend met overeenkomsten, oorzaak en gevolg, en humor: ‘Ik heb de kraan getekend, dat heb ik nog nóóit gedaan. Er komen hartjes uit in plaats van water’. Een jongen heeft nog een tip voor me:

‘deze opdracht moet je ook eens doen met juffen en meesters, want daar leren ze heel veel van!’

Aan het eind heeft Wendy een verrassing: de leerlingen krijgen de opdracht nóg een keer, maar nu met stoepkrijt op het schoolplein.

fotocollage

De groep van Aukje

Aukje is op kamp met groep 7-8. Het is de eerste avond. Dat vraagt om een actieve, fysieke, uitdagende en speelse tekenopdracht. Nee, we gaan zeker niet rustig onder een boom het landschap natekenen. We gaan in vier groepen het landschap veranderen door daarin reuzengrote vormen aan te brengen.
Eerst laat ik foto’s zien van land- art van o.a. Richard Long en Andy Goldsworthy en van de Nazca tekens in het Andesgebergte. Dan gaan we op weg naar de zandvlakte in Bakkeveen, gewapend met emmers waarin een tuinschepje, een touw en een snoeischaar zitten. En potlood en papier.
De opdracht staat op een A4tje. Het materiaal? Alles wat je kunt vinden zonder iets kapot te maken: zand, takken, dennenappels, bladeren.
En daar gaan ze los. Wij, de begeleiders, staan erbij en genieten.

Twee uur later, tegen zonsondergang:

‘moeten we nú al ophouden?’

Het resultaat is vier kunstwerken op de schaal van het landschap: twee spiraalvormen waarvan één abstract is uitgewerkt en één in een fantasievolle Turbo-slak is veranderd, een zandkasteel met een Weg naar rijkdom geplaveid met hindernissen en, in een boom, een reusachtig Nest in vogelvorm.

fotocollage

Twee kunstzinnige afsluitingen van het schooljaar

Een ‘monsterlijke dag’ op de Flambou. Ik met water, verf en inkt in groep 1-2 en 3-4, Marcel intussen met kosteloos materiaal in groep 5 en 6.

Flambou_monsters_groep_1-2_39Flambou_monsters_groep_3-4_62

 

Monsterlijke maskerade

En een spetterende middag waterpret op de Hoekstien.

collage de Hoekstien Luxwoude

Lekker gewerkt? Nou!

Lees meer over kunsteducatie en beeldend cultuuronderwijs

Scheppen

De eerste les: de verrassing

Vier keer 16 kinderen uit groep 5 en 6 op CBS de Opdracht in Ureterp. Op vrijdagmiddag, van 13:15 tot 14:45. De eerste keer, 9 januari. De kinderen hebben zich ingeschreven voor ‘de verrassing’. Dat blijkt mijn les te zijn. Ik voel me niet zo geschikt, om als verrassing dienst te doen. Volgens mij ben ik een beetje saai.

Ik verwachtte kinderen die gemotiveerd waren voor beeldende lessen maar deze groep heeft meer zin in buitenactiviteiten. Het stormt buiten. De kinderen zijn heel druk en luisteren half. Het lokaal is een heerlijk leeg speellokaal, maar het galmt wel en nodigt uit tot rennen en over de grond rollen.

Spel

Ik heb een doorgeef-collage-spel bedacht waardoor iedereen vanzelf stukken papier ontvangt van verschillende vorm, kleur en formaat. Halverwege vragen ze wat we ‘het tweede uur’ gaan doen. Nou… zeg ik… we gaan hiermee door. Ze protesteren. Gewoonlijk vindt na drie kwartier een wisseling plaats. Mij is gevraagd anderhalf uur les te geven. Daar ben ik blij mee, volgens mij is 45 minuten te kort om echt lekker door te werken. Zij moeten erg wennen aan zoveel tijd, ze zijn ingesteld op die 45 minuten: een opdracht krijgen, meteen beslissen wat je gaat maken, snel werken en klaar. Langer vinden ze saai.

Les 1: spel (scheppen)

Intussen hebben ze met hun gekleurde vormen een compositie gemaakt en vastgeplakt. Waar lijkt het op? Een taart, zee, een gezicht? Deze associatie gaan ze versterken door in de collage te tekenen met kleurpotlood en viltstift. Ik vraag van de kinderen dat ze zich concentreren en hun plan helemaal uitwerken. Maar wat is dat moeilijk als je je werk zelf wel mooi genoeg vindt, en het zo’n lawaai maakt als iedereen praat en als je gewend bent aan tijdseenheden van drie kwartier. En als het buiten stormt en vooral als het vrijdagmiddag is.


De tweede les: experimenteren en verbeelden

Het is rustig weer en de kinderen zijn ook rustig. Ze hebben gemerkt dat de galm beter te verdragen is als ze zachtjes praten.
Ik heb vier grote vellen klaargelegd en veel verf en water op de tafels gezet. Nadat ik heb laten zien hoe druppels verf in water vervloeien, willen ze allemaal graag vlekken maken. Ze vinden uit dat je twee kleuren tegelijk aan je kwast kunt doen, dat de verf dan in het midden mengt. En dat een druppel die je gooit een interessante vorm krijgt. Ze zijn een hele tijd aan het experimenteren. Dan laten we de verf drogen in de zon, in afwachting van het vervolg, want we gaan er nog aan verder werken.

Symmetrie

Op kleiner papier maken we ook vlekken, maar deze vouwen we dubbel zodat een symmetrisch beeld ontstaat. Lijkt het op het een gezicht? Een insect? Een monster?

het begin van de schepping

Terwijl de vlekken drogen tekenen we met viltstift ogen op een groot vel papier. Verschillende kinderen hebben daar al een strak concept voor ontwikkeld waar ze eigenlijk niet vanaf willen wijken. Door allemaal op hetzelfde papier te werken probeer ik hun repertoire uit te breiden. De verf blijft lang nat, dus gaan ze door met neuzen, monden en oren en daarna allerlei gezichten, samen op hetzelfde papier of een kleiner voor jezelf alleen.

Fantasie

We gaan om de grote vellen met verfvlekken op de grond zitten. Met een variant op het spelletje ‘ik zie ik zie wat jij niet ziet’ zoeken we dieren, mensen en dingen in de vlekken.


De derde les: het scheppingsverhaal

We gaan rustig in een kring om de grote vellen met verfvlekken van de vorige keer zitten. Ik vertel dat ze me op een of andere manier doen denken aan het scheppingsverhaal. Kennen de kinderen dat? Ze kijken me verwachtingsvol aan: ‘bedoel je, toen God de wereld maakte?’ Ik vraag of ze weten hoe het begon: ‘in het begin was er niets’. Ik vraag: ‘wat is niets? Kun je het je voorstellen?’ ‘Donker’, ‘zwart’, ‘leeg’ ‘doorzichtig’ ‘je ziet niks’ ‘je voelt ook niks’ en tenslotte: ‘je bent er zelf niet, dus…’

In den beginne…

het begin van de schepping2‘En dan’ zeg ik ‘is er wel iets. Het begin van de wereld. Hoe zou dat eruit hebben gezien?’ De kinderen wisselen geïnteresseerd ideeën uit. Ze willen allemaal wel iets zeggen: ‘het heelal?’ ‘Misschien wel bacteriën?’ ‘Vroeger waren mensen niet zoals nu, ik weet hoe mensen ontstaan zijn’. ‘We weten het niet want we waren er niet bij, er waren nog geen mensen. Maar in de Bijbel staat hoe het gegaan kan zijn’. In het filosofische gesprek komen flarden Bijbel samen met de evolutietheorie. Hannah stelt voor de volgende les haar kinderbijbel mee te nemen: ‘ik heb een hele mooie’ zodat we het scheppingsverhaal kunnen nalezen en erover tekenen.

Leven scheppen

In de vlekken zoeken de kinderen naar ‘leven’ dat ze kunnen tekenen. Ze vinden veel dieren, vaak waterdieren. Ze tekenen ze ‘af’ met viltstiften. Vaak is het al genoeg om oogjes in een vlek te maken, soms is een lijn nodig of meer details. Soms verschijnt er een gezicht.

3D

Na een uur is de concentratie op. Enkele kinderen hebben gevraagd of ik ze wil leren hoe ze ‘3D’ kunnen tekenen. Dat doe ik, zo eenvoudig mogelijk. Dan vraagt Boaz of ik kan uitleggen ‘hoe je Lego tekent’. Ik teken hardop pratend een Lego-motor na. Daarna tekenen de kinderen voor zichzelf wat ze graag willen: Lego-voertuigen, letters, een kamer, dieren, een tank.


De vierde les: sneeuw!

Eigenlijk heb ik bedacht met houtskool het Bijbelse scheppingsverhaal te gaan tekenen. Dag een tot en met dag zes. Maar die ochtend is alles wit en schijnt de zon. Bovendien is Hannah ziek en is er dus ook geen mooie kinderbijbel om uit voor te lezen. Ik kies voor de sneeuw.

Dieren, groep 6 (scheppen)

Opnieuw is de groep druk en verschillende kinderen willen graag naar buiten. De sneeuw is goeddeels gesmolten, maar de zon schijnt zo heerlijk. Ik begrijp het wel. Maar we gaan tóch tekenen. De sneeuw, ‘vanmorgen toen je buiten kwam’. Met houtskool op wit of met wit krijt en kleurpotlood op zwart. Ik laat zien hoe je een vorm rond kunt laten lijken door de houtskool ietsje uit te vegen, en hoe je lichte delen naar voren kan laten komen. De concentratie is niet optimaal. Toch is het resultaat voor mij een verrassing.

Als laatste tekenen ze, heel rustig, tegenover elkaar een ‘blind’ portret.

Cultuureducatie met kwaliteit: een onderzoek

Alles heeft het en toch weten we niet precies wat het is. Kwaliteit. Ik lees op Google: kwaliteitsmanagement, kwaliteitslaminaat, kwaliteitsvoedsel, kwaliteitszorg.
Slechte kwaliteit, acceptabele kwaliteit, goede kwaliteit, excellente kwaliteit…

Wat is kwaliteit?

Omstreeks 1987 werd het in mijn werkomgeving, destijds een gemeentelijke instelling voor kunsteducatie, steeds meer gebruikt, het woord ‘kwaliteit’. Het was zo’n zelfde tijd als nu, er werd bezuinigd op culturele instellingen en dat dwingt tot keuzes. Het woord dook te pas en te onpas op en niemand wist eigenlijk precies wat ermee bedoeld werd. Shakespeare? Michael Jackson? Waarom, en voor wie? En waarom niet? Mijn baas las regelmatig onze bereikcijfers voor. De ‘werkvloer’ sprak over ‘oppervlakkige kennismaking’ en ‘de diepte in’. Kwaliteit versus kwantiteit. Een collega, ongelukkig met de spraakverwarring, deed een poging uit te leggen dat we niet over kwaliteit konden spreken zonder verschillende kwaliteiten te onderscheiden. Later kreeg juist hij het aan de stok met het nieuwe afdelingshoofd, die vond dat zijn project over populaire beeldcultuur onvoldoende kwaliteit had. Populaire cultuur was geen kunst, vond ze. En we waren wel een instelling voor KUNSTeducatie.

Is kwaliteit elitair?

Is kwaliteit dan elitair en moeilijk te begrijpen en heeft iets dat het grote publiek interesseert daarom geen kwaliteit? Hella Haasse legt in het begin van het boekje Kwaliteit (een verkenning) (1987) uit dat het begrip komt van ’homme de qualité’, zo werd een edelman in de twaalfde eeuw genoemd die van bijzondere verdienste was voor de toenmalige maatschappij. De elitaire herkomst van het woord kwaliteit is een historisch feit. Maar zowel de maatschappij als de taal zijn aan verandering onderhevig.

Kwaliteit is een woord dat een positieve klank heeft: ‘hij heeft de kwaliteiten om deze taak naar behoren te vervullen’. Kwaliteit wordt gebruikt als criterium voor wat van een product verwacht kan worden. Bijvoorbeeld dat een pakje waar ‘roomboter’ op staat ook 100% roomboter bevat. Of dat de verse appeltaart echt vers is. Waar voor je geld.

Kwaliteit wordt óók gebruikt voor ‘goed’: ‘wij gaan voor kwaliteit’, kwaliteitsjournalistiek.

Doel en verwachting

Omdat niet expliciet duidelijk is waaraan iets of iemand moet voldoen om het label ‘kwaliteit’ te krijgen, is er altijd discussie over. Er is wel overeenstemming over de basisvoorwaarden: het moet geschikt zijn voor het doel én het moet voldoen aan de verwachtingen van de klant. Appeltaart moet lekker zijn.

Ik lees in cultuur + educatie nr. 33, 2012 een citaat: De Amerikaanse management-goeroe Peter Drucker (1985, geciteerd van internet) zei het pregnant als volgt: ‘Quality in a product or service is not what the supplier puts in. It is what the customer gets out and is willing to pay for.’ Het maakt dus niet uit hoe hard of toegewijd de producent werkt, hoe deskundig hij is of inhoudelijk sterk en wat hij allemaal voor slimme vondsten in het product stopt, als iemand het maar wil hebben.

Behoefte

Toch vraag ik mij af hoe de producent van tevoren kan weten waarvoor de klant wil betalen. Hoe wist de uitvinder van de mobiele telefoon voordat er ook maar één klant was, dat ik inmiddels niet meer zonder kan? En waarom wil men tegenwoordig niet meer betalen voor diepgravende journalistiek, om maar wat te noemen? Of is daar eigenlijk nooit veel vraag naar geweest maar lag de norm voor kwaliteit ‘vroeger’ meer bij de producent dan bij de consument? Staat kwaliteit altijd in verband met verwachting (reageert een producent dus alleen op klanten), of ook met behoefte en verlangen, of zelfs passie? Kan kwaliteit ook verlangen opwekken? Kan kwaliteit verleiden? Heeft kwaliteit een relatie met emotie?

Emotie en beleving

De discussie gaat eigenlijk steeds over dat laatste. Meer nog dan over de knapperige korst van de appeltaart, de stevigheid van de appels en de slagroom bovenop gaat het over de herkomst van de appels (biologisch!), het authentieke recept (oma!) en de bijzondere bakkerij (ambachtelijk!). Daar wordt die taart helemaal niet beter van, maar hij smaakt wel lekkerder.

Kwaliteit is dus níet persé een eigenschap van het product maar ook, of misschien wel vooral, van de beleving ervan.

Meten en relatie

Een eigenschap als lengte of snelheid kan in absolute zin meetbaar zijn: 3 meter lang, 30 kilometer per uur, of relatief: langer dan ik, sneller dan een fiets.

Kwaliteit is een lastige eigenschap om te beoordelen, want het is niet absoluut meetbaar. Kwaliteit kan alleen onderscheiden worden in een relatie. In relatie tot het doel en in relatie tot andere producten, dingen, ervaringen…

Criteria

Om kwaliteit te kunnen meten en dus beoordelen moeten verschillende criteria worden onderscheiden en beschreven. Dan pas kun je op kwaliteit een objectieve benadering loslaten. Maar beleving en emotie zijn niet meetbaar en achterliggende waarden ook niet. Dus een meetinstrument zal niet de hele lading kunnen dekken.

Cultuureducatie met kwaliteit is volgens de onderwijsraad (Cultuureducatie: leren, creëren, inspireren! Publicatie uit 2012) cultuuronderwijs afgestemd op de kerndoelen, geregisseerd door de school, in een doorgaande leerlijn. Lessen moeten worden gegeven door deskundige leerkrachten, eventueel in samenwerking met culturele instellingen. Net als de vorderingen van de leerling met betrekking tot taal en rekenen moeten ook de kennis en vaardigheden op het gebied van cultuur kunnen worden gevolgd en beoordeeld, bij voorkeur in samenhang. De raad beschrijft voorwaarden voor kwaliteit als eigenschap van cultuuronderwijs. Maar niet de kwaliteit zelf.

Wie betaalt voor cultuuronderwijs? De school, met overheidssubsidie. Is de overheid dan de klant? Of de school? De school (de directeur) moet ervoor willen betalen, dus cultuuronderwijs moet de verwachtingen van de school waarmaken. Dus is de school de klant.

Verwachting en kennis

Maar waar is cultuuronderwijs ook weer voor bedoeld? Voor wie? O ja, voor de leerling.

Is niet de school, maar de leerling dus de klant? Wat als de leerling mag zeggen wat hij verwacht of verlangt van cultuuronderwijs? Weet hij dan waarover hij het heeft? Heeft hij genoeg kennis en informatie om gefundeerd te kunnen kiezen? Of moeten we het de leerkrachten vragen? De ouders? Geldt daar niet hetzelfde voor? Klanten hebben verwachtingen en verlangens maar weten soms helemaal niet wat ze zouden kúnnen verwachten.

De vraag is of dat nodig is.

Cultureel zelfbewustzijn

De leerling moet zich zodanig kunnen ontwikkelen dat hij in de wereld een plaats kan verwerven die past bij zijn mogelijkheden, zodat hij een zelfbewuste volwassene wordt, in verbinding met zijn (culturele) omgeving. Dat is het doel. Van cultuuronderwijs mag dus verwacht worden dat gewerkt wordt aan een groeiend zelfbewustzijn. De leerling moet zijn talenten kunnen ontdekken en ontwikkelen, niet alleen bij taal en rekenen maar in alle leergebieden. Hoe het product om dat doel te bereiken precies tot stand komt, dat bepaalt de producent. Is de producent in het geval van cultuuronderwijs al deskundig genoeg om die kwaliteit te leveren die de klant (de leerling) nodig heeft?

De klant hoeft de appeltaart alleen maar lekker te vinden.

De leerling:

‘ik wil dit elke dag wel doen op school! Kijk eens wat ik heb gemaakt, ik wist echt niet dat ik dat kon!’

Realisme en fantasie

realisme en fantasie

Op CBS de Arke in Nij Beets geef ik drie beeldende lessen van een uur aan de leerlingen van groep 5/6 en 6/7. Collage en tekenen, realisme en fantasie.

De eerste les: fantasie

‘Wat gaan we doen?’ ‘Collages maken. Weet je wat dat is?’ ‘eh…ja, nee, niet precies…’

De jongste kinderen knippen grote vormen uit gekleurd papier. Ze bedenken waar hun vormen op lijken en maken het beeld daarna af met bijpassende vormen.

En echt, ik heb ze NIET de knipsels van Matisse laten zien!

De oudere kinderen bedenken woorden zoals ‘hoofdrol’ (een spiraal van hoofden), ‘Frieskist’ (een kist met Friese dingen), ‘voetbal’ (een bal van voeten). Met behulp van plaatjes uit tijdschriften visualiseren ze de dubbele betekenis van het woord.

Ik vraag ze wat ze de volgende les willen leren. De meesten willen wel dieren of mensen leren tekenen. het liefst ‘net echt’. Een meisje vraagt:

‘Gaat u ons écht mensen leren tekenen? En kan ik daarna dan ook een zelfportret maken?’

De tweede les: realisme

de ArkeWe gaan dieren tekenen. Een echt dier hebben we niet voorhanden, dus we zijn afhankelijk van foto’s om te kijken hoe het dier er precies uitziet.

De jongste groep start met twee plaatjes op het digibord. Ik heb een foto van een echte olifant en een foto van een roze olifant naast elkaar gezet. De roze olifant is een uit golfplaat gezaagd, plat beeld. Dan geef ik de kinderen de opdracht: zoek de verschillen. Hoewel de roze olifant een aantrekkelijke kleur en een fijne vorm heeft, geven de meeste kinderen de voorkeur aan de echte olifant. Ze zien daarin meer details, zoals de structuur van de huid, de tenen, de ogen, de schaduw achter het oor.

Aan de oudere groep vertoon ik de video Austin’s Butterfly. Ze kijken stil en geconcentreerd. Eigenlijk geloven ze niet dat een kind uit groep 3 zó goed kan tekenen. Ik merk op dat hij wel zes keer opnieuw is begonnen. Dat je niet in een uurtje ‘goed’ kunt leren tekenen, want dat je tekenen moet oefenen en bij elke keer iets kunt verbeteren. En ook… dat je elkaar kunt helpen kijken!

De laatste les: realisme en fantasie

We combineren collage en tekenen, realisme en fantasie.

De jongere kinderen laat ik de dieren van Eric Carle zien. Ze tekenen een ding, een dier of een mens, knippen deze uit, plakken hem op een contrasterende achtergrondkleur en bedenken er vervolgens een omgeving bij.

De oudere kinderen laat ik eerst ervaren dat hun spanwijdte dezelfde afmeting heeft als hun lengte. Dan laat ik een aantal afbeeldingen van knipsels van Matisse zien. Binnen een paar seconden zitten drie kinderen op de grond, de houding na te doen van ‘Nu bleu II‘.

Daarna knippen ze mensfiguurtjes uit papier en zetten deze in een houding door de ledematen bij de gewrichten te vouwen of los te knippen en en te verdraaien. Inmiddels zijn ze alweer vergeten hoe lang de armen en benen zijn ten opzichte van de romp. tenslotte krijgen de figuurtjes gezichtjes, haar, kleren en een omgeving.

Tekenen als vorm van cognitie

Gisteren heb ik mijn certificaat ontvangen van de Leergang Cultuuronderwijs 2013. Jammer dat het afgelopen is.

In het voorjaar begon ik aan de leergang met een vaag gevoel van verdwaald zijn en heel veel zin om na te denken. Ik hoopte dat een theoretisch fundament me zou helpen de grote lijnen binnen cultuur en onderwijs (weer) te ontdekken zodat ik beter zou kunnen uitleggen waarom ik cultuuronderwijs essentieel vind voor de ontwikkeling van kinderen.

Intussen werd ik Tekenskoalle- coach in Zuidoost Friesland. In het kunstonderwijs had ik me nooit uitsluitend met tekenen beziggehouden. Ik vind alle kunstvakken even belangrijk. Maar, zoals met alles gebeurt waar je een vergrootglas op legt: ik ging tekenen op zich interessant vinden.

Nu, na de leergang, heb ik het idee dat ik een klein beetje beter begrijp wat cultuur is. Daarom durf ik nu te stellen dat cultuuronderwijs centraal zou moeten staan in het onderwijs. En dat tekenen daarin een belangrijke plaats verdient, omdat het een vorm van cognitie is.

Mijn afsluitende essay:

Over de noodzaak van tekenen in het cultuuronderwijs

“Tekenen als vorm van cognitie” verder lezen