Leren tekenen

Kinderen willen àlles leren tekenen!

Het atelier is een overgeschoten klaslokaal dat ook als opslag wordt gebruikt. Er zijn vier grote tafels en, tot mijn grote vreugde, een groen krijtbord. En een kraan. De kinderen zijn tussen de zeven en tien jaar oud en ze willen allemaal beter leren tekenen. Wat is dat dan, beter tekenen? Wat willen ze dan leren? Nou, 3D-tekenen. ‘Perspectief’, weet een van de jongens. En striptekenen. Mensen leren tekenen en dieren. En o ja, ook eigenlijk wel een keertje schilderen. Veel wensen, voor vijf keer een uurtje.

De eerste les hebben ze allemaal een map gemaakt om hun werk in te bewaren en hebben ze heel veel cirkels getekend. Een oefening in vloeiende bewegingen op papier zetten.

Hoe teken je ruimte?

De tweede les gaat over het tekenen van ruimte. 3-D, drie dimensies, richtingen. Of perspectief. Eigenlijk is het heel simpel. Alles wat vooraan is, lijkt groot en wat ver weg is, lijkt klein, tot het zóver weg is dat je het helemaal niet meer kan zien. Daar is het verdwijnpunt. Op het bord teken ik een horizon. Wat is de horizon? Juist, de grens tussen land of zee en de lucht. Zie je de horizon altijd? Nee, want meestal staat er iets in de weg. Ik teken een eenvoudig doosje met hulplijnen naar twee verdwijnpunten, en een letter met dikte. Dan veeg ik alles weer uit. Want je kunt ook best ruimte tekenen zonder de lijnen van het perspectief precies te construeren. Van dingen die dichtbij zijn zie je alle details, dingen die ver weg zijn lijken vaag. Dat kun je tekenen. Blauw lijkt ver weg, oranje dichtbij. Dat kun je ook tekenen.

De jongste kinderen tekenen een veld of een strand of een zee, eerst nog zonder iets erin. Helemaal in de verte, bovenaan het papier, tekenen ze het gras of het zand of de golven klein en vaag, en vooraan, onderaan het papier, groot en scherp. Als dat klaar is, tekenen ze pas de dingen. De meeste grotere kinderen vinden dit niet uitdagend genoeg: ‘mag ik ook een weg tekenen naar de verte?’ Dat mag, maar o, wat is dat moeilijk als je nog niet precies begrijpt hoe dat zit met de horizon en verdwijnpunten.


De Tekenskoalle

houtskoolOok met de Tekenskoalle wordt weer druk getekend. In Kootstertille gaf juf Marian een mooie les over de schepping aan groep 3 en 4, met houtskool als materiaal. Marian luisterde heel goed naar de kinderen en gaf elk kind de ruimte en de hulp om de eigen beleving op het papier te krijgen. Het papier was een beetje dun, dus er was een grens aan hoe lang de jonge kunstenaars konden doorgaan met pikdonker maken en weer licht in de duisternis vegen, maar alle kinderen hadden ervaren hoe je met houtskool en kneedgum kan spelen met zwart, grijs en wit, met vage en duidelijke vormen. Ze konden precies vertellen wat er op hun tekening, in hun eigen schepping, gebeurd was.

Zomertijd

Tijd voor cultuur op school

In juni begon de zomer. Het vakantiegevoel was er al, dankzij de tropische temperaturen zo nu en dan. Met rekenen en taal waren ze wel klaar. Nu was het tijd voor spelen en maken, de verbeelding aan de macht!
tijd voor cultuur op school

Zes zomerse beeldende cultuurlessen

The Big Splash

Eben Haezer, groep 6. Eerder in het voorjaar heeft deze groep een attractiepark ontworpen met gekleurd karton. Nu drie keer een vrijdagmiddag met het schilderij The Big Splash van David Hockney als inspiratie. Wat gebeurt daar? Dat gaan we maken. Zwemmers in een zwembad.

Daar is nog wel wat voorbereiding voor nodig. Eerst meten de leerlingen elkaar op: wat zijn de verhoudingen van het menselijk lichaam? Waar zitten de gewrichten, de scharnieren? Die verhoudingen tekenen ze als een schematisch mensfiguurtje op een vouwblaadje. Daarna tekenen ze hun mensfiguurtje opnieuw, op stevig karton, en zetten ze getekende en geknipte mensfiguurtjes in actieve (zwem)houdingen, naar keuze in een plat vlak of driedimensionaal.

‘Juf, hoe moet een bommetje?’

De zwemmers krijgen een plaatsje in een zelfgemaakt zwembad en ja, er is ook een giftig groen bassin gemaakt met zombies en haaien.
Dikke pret als lijm heel geschikt blijkt om water weer te geven.

Eben Haezer groep 6 les 5 en 6

Drie bijzondere Tekenskoalle-klassen

De groep van Joland

In groep 2 gaf Tekenskoalle- cursist Joland een heerlijke les met ijs als thema en ik was erbij.
De kinderen zijn eerst bezig geweest met het verhaal De ijskraam van Jan en San. Nu improviseren Joland en ik een ijsverkoopster en haar klant. De ijsverkoopster noemt smaakjes en kleuren: geel voor citroen, roze voor aardbei, bruin voor chocolade: welke smaak wil jij? Het roze aardbeienijs of het groene perenijs? In een horentje of een bakje?
De leerlingen vouwen en tekenen een ijskraam met ijsbakken en ijsjes. Hoe kun je met oliepastel een ‘ijs-achtige’ kleur maken? Joland laat het zien: door er witte pastel overheen aan te brengen, kijk maar.

fotocollage

De groep van Wendy

Deze kinderen ken ik al twee jaar. Ik kom nu voor de zesde keer bij hun in de klas en heb gezien hoeveel vaardigheden ze zich al hebben eigengemaakt op tekengebied.
Schermafbeelding 2015-07-17 om 00.11.48

Op Wendy’s verzoek geef ik een les met een kunstwerk als inspiratiebron. Want wát doet een kunstenaar nou precies en hoe kunnen de kinderen daarvan leren? Ik haal langzaam een kunstwerk van Marcel uit mijn tas. Ik vraag: ‘wat zie je?’ De kinderen zien een dier en gereedschap tegelijk. De titel van het beeld? Niet zagen. Ís het een dier, of lijkt het er alleen maar op?

In het lokaal en op de gang zoeken de kinderen dingen die op iets anders lijken: een dier, een gezicht, een landschap. Ze maken een geheim lijstje met hun vondsten. We doen ik zie ik zie wat jij niet ziet om ook de kinderen die het moeilijk vinden op ideeën te brengen. ‘Ik zie een gezichtje’, ‘de zee’, ‘een krokodil’. Het stopcontact wordt snel geraden. De marmoleumvloer lijkt op de zee en een groene wasknijper op een krokodil.

Ieder kind kiest één ding van zijn lijstje om heel precies na te tekenen en daarna de tekening te veranderen in dat waar het voorwerp op lijkt. Voor groep vier een pittige opdracht, het laatste deel lukt veel kinderen dan ook niet precies volgens plan. Ze zijn heel geconcentreerd bezig met goed kijken en natekenen. Ze spelen al tekenend met overeenkomsten, oorzaak en gevolg, en humor: ‘Ik heb de kraan getekend, dat heb ik nog nóóit gedaan. Er komen hartjes uit in plaats van water’. Een jongen heeft nog een tip voor me:

‘deze opdracht moet je ook eens doen met juffen en meesters, want daar leren ze heel veel van!’

Aan het eind heeft Wendy een verrassing: de leerlingen krijgen de opdracht nóg een keer, maar nu met stoepkrijt op het schoolplein.

fotocollage

De groep van Aukje

Aukje is op kamp met groep 7-8. Het is de eerste avond. Dat vraagt om een actieve, fysieke, uitdagende en speelse tekenopdracht. Nee, we gaan zeker niet rustig onder een boom het landschap natekenen. We gaan in vier groepen het landschap veranderen door daarin reuzengrote vormen aan te brengen.
Eerst laat ik foto’s zien van land- art van o.a. Richard Long en Andy Goldsworthy en van de Nazca tekens in het Andesgebergte. Dan gaan we op weg naar de zandvlakte in Bakkeveen, gewapend met emmers waarin een tuinschepje, een touw en een snoeischaar zitten. En potlood en papier.
De opdracht staat op een A4tje. Het materiaal? Alles wat je kunt vinden zonder iets kapot te maken: zand, takken, dennenappels, bladeren.
En daar gaan ze los. Wij, de begeleiders, staan erbij en genieten.

Twee uur later, tegen zonsondergang:

‘moeten we nú al ophouden?’

Het resultaat is vier kunstwerken op de schaal van het landschap: twee spiraalvormen waarvan één abstract is uitgewerkt en één in een fantasievolle Turbo-slak is veranderd, een zandkasteel met een Weg naar rijkdom geplaveid met hindernissen en, in een boom, een reusachtig Nest in vogelvorm.

fotocollage

Twee kunstzinnige afsluitingen van het schooljaar

Een ‘monsterlijke dag’ op de Flambou. Ik met water, verf en inkt in groep 1-2 en 3-4, Marcel intussen met kosteloos materiaal in groep 5 en 6.

Flambou_monsters_groep_1-2_39Flambou_monsters_groep_3-4_62

 

Monsterlijke maskerade

En een spetterende middag waterpret op de Hoekstien.

collage de Hoekstien Luxwoude

Lekker gewerkt? Nou!

Lees meer over kunsteducatie en beeldend cultuuronderwijs

Scheppen

De eerste les: de verrassing

Vier keer 16 kinderen uit groep 5 en 6 op CBS de Opdracht in Ureterp. Op vrijdagmiddag, van 13:15 tot 14:45. De eerste keer, 9 januari. De kinderen hebben zich ingeschreven voor ‘de verrassing’. Dat blijkt mijn les te zijn. Ik voel me niet zo geschikt, om als verrassing dienst te doen. Volgens mij ben ik een beetje saai.

Ik verwachtte kinderen die gemotiveerd waren voor beeldende lessen maar deze groep heeft meer zin in buitenactiviteiten. Het stormt buiten. De kinderen zijn heel druk en luisteren half. Het lokaal is een heerlijk leeg speellokaal, maar het galmt wel en nodigt uit tot rennen en over de grond rollen.

Spel

Ik heb een doorgeef-collage-spel bedacht waardoor iedereen vanzelf stukken papier ontvangt van verschillende vorm, kleur en formaat. Halverwege vragen ze wat we ‘het tweede uur’ gaan doen. Nou… zeg ik… we gaan hiermee door. Ze protesteren. Gewoonlijk vindt na drie kwartier een wisseling plaats. Mij is gevraagd anderhalf uur les te geven. Daar ben ik blij mee, volgens mij is 45 minuten te kort om echt lekker door te werken. Zij moeten erg wennen aan zoveel tijd, ze zijn ingesteld op die 45 minuten: een opdracht krijgen, meteen beslissen wat je gaat maken, snel werken en klaar. Langer vinden ze saai.

Les 1: spel (scheppen)

Intussen hebben ze met hun gekleurde vormen een compositie gemaakt en vastgeplakt. Waar lijkt het op? Een taart, zee, een gezicht? Deze associatie gaan ze versterken door in de collage te tekenen met kleurpotlood en viltstift. Ik vraag van de kinderen dat ze zich concentreren en hun plan helemaal uitwerken. Maar wat is dat moeilijk als je je werk zelf wel mooi genoeg vindt, en het zo’n lawaai maakt als iedereen praat en als je gewend bent aan tijdseenheden van drie kwartier. En als het buiten stormt en vooral als het vrijdagmiddag is.


De tweede les: experimenteren en verbeelden

Het is rustig weer en de kinderen zijn ook rustig. Ze hebben gemerkt dat de galm beter te verdragen is als ze zachtjes praten.
Ik heb vier grote vellen klaargelegd en veel verf en water op de tafels gezet. Nadat ik heb laten zien hoe druppels verf in water vervloeien, willen ze allemaal graag vlekken maken. Ze vinden uit dat je twee kleuren tegelijk aan je kwast kunt doen, dat de verf dan in het midden mengt. En dat een druppel die je gooit een interessante vorm krijgt. Ze zijn een hele tijd aan het experimenteren. Dan laten we de verf drogen in de zon, in afwachting van het vervolg, want we gaan er nog aan verder werken.

Symmetrie

Op kleiner papier maken we ook vlekken, maar deze vouwen we dubbel zodat een symmetrisch beeld ontstaat. Lijkt het op het een gezicht? Een insect? Een monster?

het begin van de schepping

Terwijl de vlekken drogen tekenen we met viltstift ogen op een groot vel papier. Verschillende kinderen hebben daar al een strak concept voor ontwikkeld waar ze eigenlijk niet vanaf willen wijken. Door allemaal op hetzelfde papier te werken probeer ik hun repertoire uit te breiden. De verf blijft lang nat, dus gaan ze door met neuzen, monden en oren en daarna allerlei gezichten, samen op hetzelfde papier of een kleiner voor jezelf alleen.

Fantasie

We gaan om de grote vellen met verfvlekken op de grond zitten. Met een variant op het spelletje ‘ik zie ik zie wat jij niet ziet’ zoeken we dieren, mensen en dingen in de vlekken.


De derde les: het scheppingsverhaal

We gaan rustig in een kring om de grote vellen met verfvlekken van de vorige keer zitten. Ik vertel dat ze me op een of andere manier doen denken aan het scheppingsverhaal. Kennen de kinderen dat? Ze kijken me verwachtingsvol aan: ‘bedoel je, toen God de wereld maakte?’ Ik vraag of ze weten hoe het begon: ‘in het begin was er niets’. Ik vraag: ‘wat is niets? Kun je het je voorstellen?’ ‘Donker’, ‘zwart’, ‘leeg’ ‘doorzichtig’ ‘je ziet niks’ ‘je voelt ook niks’ en tenslotte: ‘je bent er zelf niet, dus…’

In den beginne…

het begin van de schepping2‘En dan’ zeg ik ‘is er wel iets. Het begin van de wereld. Hoe zou dat eruit hebben gezien?’ De kinderen wisselen geïnteresseerd ideeën uit. Ze willen allemaal wel iets zeggen: ‘het heelal?’ ‘Misschien wel bacteriën?’ ‘Vroeger waren mensen niet zoals nu, ik weet hoe mensen ontstaan zijn’. ‘We weten het niet want we waren er niet bij, er waren nog geen mensen. Maar in de Bijbel staat hoe het gegaan kan zijn’. In het filosofische gesprek komen flarden Bijbel samen met de evolutietheorie. Hannah stelt voor de volgende les haar kinderbijbel mee te nemen: ‘ik heb een hele mooie’ zodat we het scheppingsverhaal kunnen nalezen en erover tekenen.

Leven scheppen

In de vlekken zoeken de kinderen naar ‘leven’ dat ze kunnen tekenen. Ze vinden veel dieren, vaak waterdieren. Ze tekenen ze ‘af’ met viltstiften. Vaak is het al genoeg om oogjes in een vlek te maken, soms is een lijn nodig of meer details. Soms verschijnt er een gezicht.

3D

Na een uur is de concentratie op. Enkele kinderen hebben gevraagd of ik ze wil leren hoe ze ‘3D’ kunnen tekenen. Dat doe ik, zo eenvoudig mogelijk. Dan vraagt Boaz of ik kan uitleggen ‘hoe je Lego tekent’. Ik teken hardop pratend een Lego-motor na. Daarna tekenen de kinderen voor zichzelf wat ze graag willen: Lego-voertuigen, letters, een kamer, dieren, een tank.


De vierde les: sneeuw!

Eigenlijk heb ik bedacht met houtskool het Bijbelse scheppingsverhaal te gaan tekenen. Dag een tot en met dag zes. Maar die ochtend is alles wit en schijnt de zon. Bovendien is Hannah ziek en is er dus ook geen mooie kinderbijbel om uit voor te lezen. Ik kies voor de sneeuw.

Dieren, groep 6 (scheppen)

Opnieuw is de groep druk en verschillende kinderen willen graag naar buiten. De sneeuw is goeddeels gesmolten, maar de zon schijnt zo heerlijk. Ik begrijp het wel. Maar we gaan tóch tekenen. De sneeuw, ‘vanmorgen toen je buiten kwam’. Met houtskool op wit of met wit krijt en kleurpotlood op zwart. Ik laat zien hoe je een vorm rond kunt laten lijken door de houtskool ietsje uit te vegen, en hoe je lichte delen naar voren kan laten komen. De concentratie is niet optimaal. Toch is het resultaat voor mij een verrassing.

Als laatste tekenen ze, heel rustig, tegenover elkaar een ‘blind’ portret.

Vormstudie

Marcel sluit aan bij mijn lessen op de Arke met een opdracht vormstudie in karton. Als de kinderen klaar zijn, tekenen ze hun ruimtelijke vorm heel zorgvuldig na.

Vormstudie

‘Tekenen naar de werkelijkheid is heel moeilijk, maar als je die werkelijkheid zelf geschapen hebt blijkt dat een stuk makkelijker.’

Realisme en fantasie

realisme en fantasie

Op CBS de Arke in Nij Beets geef ik drie beeldende lessen van een uur aan de leerlingen van groep 5/6 en 6/7. Collage en tekenen, realisme en fantasie.

De eerste les: fantasie

‘Wat gaan we doen?’ ‘Collages maken. Weet je wat dat is?’ ‘eh…ja, nee, niet precies…’

De jongste kinderen knippen grote vormen uit gekleurd papier. Ze bedenken waar hun vormen op lijken en maken het beeld daarna af met bijpassende vormen.

En echt, ik heb ze NIET de knipsels van Matisse laten zien!

De oudere kinderen bedenken woorden zoals ‘hoofdrol’ (een spiraal van hoofden), ‘Frieskist’ (een kist met Friese dingen), ‘voetbal’ (een bal van voeten). Met behulp van plaatjes uit tijdschriften visualiseren ze de dubbele betekenis van het woord.

Ik vraag ze wat ze de volgende les willen leren. De meesten willen wel dieren of mensen leren tekenen. het liefst ‘net echt’. Een meisje vraagt:

‘Gaat u ons écht mensen leren tekenen? En kan ik daarna dan ook een zelfportret maken?’

De tweede les: realisme

de ArkeWe gaan dieren tekenen. Een echt dier hebben we niet voorhanden, dus we zijn afhankelijk van foto’s om te kijken hoe het dier er precies uitziet.

De jongste groep start met twee plaatjes op het digibord. Ik heb een foto van een echte olifant en een foto van een roze olifant naast elkaar gezet. De roze olifant is een uit golfplaat gezaagd, plat beeld. Dan geef ik de kinderen de opdracht: zoek de verschillen. Hoewel de roze olifant een aantrekkelijke kleur en een fijne vorm heeft, geven de meeste kinderen de voorkeur aan de echte olifant. Ze zien daarin meer details, zoals de structuur van de huid, de tenen, de ogen, de schaduw achter het oor.

Aan de oudere groep vertoon ik de video Austin’s Butterfly. Ze kijken stil en geconcentreerd. Eigenlijk geloven ze niet dat een kind uit groep 3 zó goed kan tekenen. Ik merk op dat hij wel zes keer opnieuw is begonnen. Dat je niet in een uurtje ‘goed’ kunt leren tekenen, want dat je tekenen moet oefenen en bij elke keer iets kunt verbeteren. En ook… dat je elkaar kunt helpen kijken!

De laatste les: realisme en fantasie

We combineren collage en tekenen, realisme en fantasie.

De jongere kinderen laat ik de dieren van Eric Carle zien. Ze tekenen een ding, een dier of een mens, knippen deze uit, plakken hem op een contrasterende achtergrondkleur en bedenken er vervolgens een omgeving bij.

De oudere kinderen laat ik eerst ervaren dat hun spanwijdte dezelfde afmeting heeft als hun lengte. Dan laat ik een aantal afbeeldingen van knipsels van Matisse zien. Binnen een paar seconden zitten drie kinderen op de grond, de houding na te doen van ‘Nu bleu II’.

Daarna knippen ze mensfiguurtjes uit papier en zetten deze in een houding door de ledematen bij de gewrichten te vouwen of los te knippen en en te verdraaien. Inmiddels zijn ze alweer vergeten hoe lang de armen en benen zijn ten opzichte van de romp. tenslotte krijgen de figuurtjes gezichtjes, haar, kleren en een omgeving.